Stavenisse

Stavenisse

Stavenisse was voor de gemeentelijke herindeling op het eiland Tholen van 1 juli 1971 een zelfstandige gemeente met een oppervlakte van ca. 1097 ha. Nu is Stavenisse het meest westelijke deel van de gemeente Tholen en telt het ruim 1700 inwoners.
De naam is opgebouwd uit nes of nisse hetgeen in water uitstekend land betekent en stave. Dit laatste kan de naam van een persoon zijn die dit land bezat. Het heeft echter ook de betekenis van paal of staf. In overdrachtelijke zin kan dit duiden op een langgerekte vorm van het land.

Wapen en vlag

Het wapen, een schild van zilver met een rood schildhoofd is het eenvoudigste gemeentewapen in Zeeland. De vlag, ingesteld bij raadsbesluit van 14 april 1954, is wit met een golvende blauw-wit-blauwe baan met het wapen in het midden en omzoomd met oranje franje.

Inpoldering

Het eiland Stavenisse wordt al in een oorkonde van 1206 genoemd. Van dit gebied dat in 1509 overstroomde is echter weinig bekend. Aan de noordkant ervan lag Oud-Kempenshofstede. Deze polder ontstond door bedijking van een geheel door de zee omgeven opwas van ca. 258 ha in 1419. Toen Stavenisse in 1509 inundeerde hield deze polder stand.
Het huidige Stavenisse is een bedijking uit 1599 toen de geulen de Kamer en de Hals van het buitenwater werden afgesloten en ongeveer 8300 m dijk werd opgeworpen tussen de Oud-Kempenshofstedepolder en de Noordpolder van Sint-Maartensdijk. De 655 ha grote polder werd Stavenisse cum annexis genoemd. Dit laatste duidt op de gronden die tot de aangrenzende heerlijkheden Sint-Maartensdijk, Sint-Annaland en Zuidmoer behoorden. In de tweede helft van de 17de eeuw werd het gebied vergroot met de polder Nieuw-Zuidmoer (10 ha) en het dwergpoldertje Al te Klein. Aan de noordkant van het huidige havenkanaal werd in 1656 de Margarethapolder (72 ha) bedijkt, die genoemd werd naar Margaretha Huyssen, echtgenote van de toenmalige ambachtsheer Hieronymus van Tuyll van Serooskerke. Deze kleine polder moest menig calamiteit doorstaan. Na overstromingen in 1715 en 1808 moest men in 1842 en 1848 de zeedijk verlaten en terugtrekken op de in 1823 aangelegde inlaagdijk. Aan de zuidkant van het havenkanaal moest Stavenisse een inlaag prijsgeven in 1843. Een aantal nollen herinnert nog aan de stroomaanval die tot ca. 1900 duurde. De Nieuw-Annex-Stavenissepolder (127 ha) ontstond in 1731.

Luchtfoto Stavenisse
Luchtfoto Stavenisse

Dorp

Reeds bij de bedijking van de Stavenissepolder is rekening gehouden met de aanleg van een dorp dat werd gesitueerd naast de dam door De Kamer. Het dorp werd hierdoor bereikbaar voor schepen hetgeen voor de verbindingen met de andere Zeeuwse eilanden en Holland van groot belang was.
Stavenisse is een voorstraatdorp waarbij de Voorstraat van de haven naar de kerk loopt. Hier stonden de voornaamste huizen waarvan nog een aantal 17de en 18de eeuwse gevels zijn bewaard gebleven. Vanouds staan er langs de Voorstraat leilinden. De kerk was oorspronkelijk gepland aan de oostkant van het dorp bij de begraafplaats. De parallel lopende achterstraten waren indertijd bedoeld voor het ontsluiten van de achtererven van de huizen aan de voorstraat. In de 19de en 20ste eeuw zijn hier echter ook woningen gebouwd. De huidige Bosstraat is volgens de plattegrond van 1599 een restant van een weg die de Voorstraat kruiste.
Een der eerste bouwwerken in het nieuwe dorp was een houten standerdmolen, die in 1602 werd gebouwd. Deze nieuwe korenmolen had geen lang leven. In 1606 woei deze om. Het duurde 13 maanden voor de heren van Stavenisse tot herbouw besloten. Bij een orkaan in 1800 werd de molen eveneens zwaar beschadigd. Deze is toen gesloopt en vervangen door de huidige stenen grondzeiler.
In 1616 werd de eerste predikant in Stavenisse benoemd. Het jaar daarop kwam de kerk gereed. Het was een van de eerste nieuw gebouwde protestantse kerken in Zeeland. Deze is in 1910 vervangen door de huidige Ned. Herv. kerk. De in 1672 gebouwde kerktoren en de in een aparte kapel geplaatste marmeren graftombe van ambachtsheer Hieronymus van Tuyll van Serooskerke († 1669), die door Rombout Verhulst in de glanstijd van zijn kunnen is vervaardigd, bleven behouden.
Deze ambachtsheer liet in 1653 aan de oostkant van het dorp een door water omgeven herenhuis bouwen. Alleen een deel van de gracht en de grachtmuren zijn bewaard gebleven.
In de 19de eeuw en eerder leefde men vooral van de landbouw. In de meestoof De Star, die in 1657 aan het eind van de Stoofdijk werd gebouwd, is tot de uitvinding van de chemische verfstoffen rond 1870 de wortel van de Rubia tinctorum (meekrap) verwerkt tot een poeder dat werd gebruikt voor de fabricage van rode verf voor o.a. wolververijen. Ook de scheepvaart was voor Stavenisse van belang. Rond 1900 hadden 15 schippers er hun thuishaven. Nog steeds heeft de vereniging Schuttevaer er een grote afdeling.
Tijdens de laatste Wereldoorlog hebben de bezetters het eiland Tholen in 1944 onder water gezet. De bevolking werd met uitzondering van die in het stadje Tholen geëvacueerd en over heel Nederland verspreid. Eerst na de bevrijding van het eiland eind oktober 1944 kon men het zeewater lozen en terugkeren.

Watersnoodramp

Op 1 februari 1953 werd het eiland Tholen getroffen door de Watersnoodramp. Ruim de helft ervan overstroomde. Stavenisse werd het zwaarst getroffen. Door 6 stroomgaten in de zeedijken en 2 in de noordelijke havendijk stroomde het zeewater met groot geweld naar binnen. In het dorp stond het water in zeer korte tijd ruim 3,5 m boven het maaiveld. Van de 1737 inwoners verdronken er 153. Daarnaast kwam veel vee in de golven om en was de materiële schade groot. Ongeveer 140 woningen werden verwoest of onherstelbaar beschadigd. Met hulp uit binnen- en buitenland werd Stavenisse herbouwd. Tastbare herinneringen aan deze hulp zijn de 19 Noorse houten woningen (Eén woning is onlangs overgebracht naar Sint-Annaland waar deze bij het museum De Meestoof is opgebouwd) en het hertenkamp. Als sluitstuk van de hulp van 39 Noord-Hollandse gemeenten en Maartensdijk in Utrecht werd in 1958 aan de provinciale weg tussen Stavenisse en Sint-Maartensdijk een monument onthuld dat een drooggevallen zeemonster voorstelt.

Stavenisse
                    Prent uit de Cronijk van Zeeland

Zoals gezegd was het dorp Stavenisse over water bereikbaar via de geul De Kamer. Een "caeyken" werd in 1606 aangelegd. Na de bedijking van de Margarethapolder in 1656 ontstond het huidige havenkanaal dat in open verbinding stond met het Keeten. Het kanaal werd op diepte gehouden met het polderwater dat door de suatiesluis in de Stoofdijk in de haven werd geloosd. Nu is het de enige uitwateringssluis op het eiland Tholen die alleen in noodgevallen wordt gebruikt naast de motorgemalen.
Deze haven aan een druk en vaak ruw vaarwater is voor de omgeving steeds van groot belang geweest. Na de Watersnoodramp ontstonden er plannen de havengeul als zwakke plaats in de zeewering af te dammen. Hiertegen was veel verzet. Uiteindelijk zijn de havendijken verhoogd met kistdammen. In 1977 is in de mond van het havenkanaal een keersluis gebouwd, die automatisch sluit bij een waterstand van 2,40 m (soms 2,60) + NAP. Bij deze stand staat het havenplateau onder water. De handelshaven telt op het ogenblik twee vaste ligplaatsen terwijl er zo nu en dan vrachtschepen een weekend of een week een ligplaats kiezen. De huidige jacht- en sportvissershaven is in 1979 geopend. Ook is er een trailerhelling.
Ook elders in Stavenisse zijn recreatieve voorzieningen. Zo zijn er 3 aan de zeedijken gelegen campings en 2 terreinen met zomerwoningen. Bij Stavenisse liggen 2 kleine natuurgebieden die plaatselijk bekend staan als het Diepe Gat en de Geulse Weel. Het zijn restanten van oude dijkdoorbraken die ornithologisch en landschappelijk van belang zijn.

Tholen

Vlag en wapen

Tholen was voor de gemeentelijke herindeling op het eiland Tholen van 1 juli 1971 een zelfstandige gemeente met een grondgebied van 2133 ha. Naast het stadje Tholen zijn er nog de buurtschappen Molenvliet, Mosselhoek, Oudeland of Schakerloo en Stenen Kruis. Tegenwoordig zijn er bijna 8000 inwoners.
Het wapen van Tholen is afgebeeld op de wapenkaart in de Cronijk van Zeeland van M. Smallegange (1696). Het schild van goud bevat een onttakeld schip dat zijn oorsprong kan hebben in de verplichting de heer in tijd van oorlog bij te staan met een kogge bemand met 31 koppen. De vier leeuwen zijn ontleend aan het wapen van de graven van Holland en Zeeland uit het Huis Henegouwen. De vlag, eveneens opgenomen op de wapenkaart, bestaat uit een horizontale gele baan met aan weerszijden een baan van rood wit en blauw.

Grondgebied

In de 12e eeuw lag ter plaatse van het huidige eiland Tholen voor de diluviale zoom van Brabant een aantal kleine eilandjes. Eén daarvan, misschien in de 12e eeuw bedijkt, wordt in een oorkonde van 1212 genoemd. Dat jaar vestigde de hertog van Brabant, tot wiens grondgebied het eiland Schakerloo toen behoorde, de wacht van een der geleide tollen aan het vaarwater tussen Antwerpen en Holland. Later werd deze wacht verplaatst naar de dijk van de voor 1220 bedijkte Vijftienhonderd-gemetenpolder langs de Henetrecht, de huidige Eendracht, ter hoogte van het wantij. Dit is het punt waar twee vloedstromen rond een eiland elkaar ontmoeten. Het is een plaats met weinig stroming. Dit is de grondslag van het latere stadje geweest, tevens kan hierdoor de naam Tholen worden verklaard.
In een charter van 1290 wordt de plaats voor het eerst genoemd, toen het dorp 'dat heet Tolen of Hardestock ende dat ligget in Schakerloo' tolvrijdom werd verleend.
Wij spreken nog alleen over dat deel van de plaats dat later de oude of binnenstad werd genoemd en aan de westzijde van de zeedijk, de huidige Hoogstraat en de Verbrandestraat lag. Na de indijking van de Dalemsepolder in 1364 werd de stad aan de noordzijde uitgebreid met de nieuwe stad. De zogenaamde buitenstad ontstond aan de zeezijde van de dijk.

Stadsrechten

In de 14e eeuw moet de plaats al enige economische betekenis hebben gehad. De heren van Tholen, zoals Jan van Beaumont en de graven van Holland en Zeeland schonken de stad verschillende privileges. Zo bevorderden zij de zoutnering en in 1380 kreeg Tholen de bevoegdheid meestoven te bouwen waar de wortels van de Rubia tinctorum werden verwerkt tot een poeder. Hiermee werd een rode kleurstof gemaakt waarmee onder meer wol werd geverfd. Nadien heeft dit bedrijf tot de uitvinding van de chemische kleurstoffen in de tweede helft van de 19de eeuw steun gegeven aan de plaatselijke welvaart. Jan van Beaumont werd opgevolgd door Jan van Blois. Laatstgenoemde liet na een conflict met de heer van Bergen op Zoom in 1365 het graven van de vesten bespoedigen. Het jaar daarop verleende hij Tholen een stadsrechtprivilege.
Tegen het midden der 15e eeuw, toen door inpoldering de uiterste grenzen van Tholen waren bereikt, was het stadje op zijn hoogtepunt. Kort daarop werd het door een ramp getroffen. Op 16 mei 1452 verbrandde 5/6 deel van de huizen en werden het gasthuis, het stadhuis en de poorten door het vuur vernield.

Tholen stad
Gravure Tholen

Gebouwen

Het huidig stadhuis en de gasthuiskapel dateren van circa 1460. Ook de muren en poorten werden hersteld. De economische situatie bleef echter bedenkelijk. In de eerste helft van de 16e eeuw werd Tholen door de landsheer aan de heer van Bergen op Zoom verpand. De stad verloor hierdoor tijdelijk haar plaats in de Staten van Zeeland. In deze jaren werd Tholen, alsook de rest van Zeeland vele malen door stormvloeden getroffen. In de tweede helft van die eeuw werd het hele eiland door de Spanjaarden en Geuzen gebrandschat en leeggeroofd. Als laatste Zeeuwse stad ging Tholen in 1577 over naar de prins van Oranje. Het jaar daarop voltrok zich de Reformatie en werd de Onze Lieve Vrouwekerk aangepast aan de protestantse eredienst. De kerkelijke goederen werden geseculariseerd en kanunniken en andere katholieke geestelijken verlieten de stad en het eiland. In het najaar van 1578 trad in Tholen de eerste predikant officieel op.

Verdedigingswerken

Zolang Brabant in Spaanse handen was, bleef de positie van Tholen bedreigd. Verbetering van de verdedigingswerken was een eerste vereiste. Niet alleen de stad werd versterkt, ook de Tholense oever en vooral de Brabantse kant van de Eendracht werden in staat van verdediging gebracht door de aanleg van schansen, forten en borstweringen. Ook werden de dijken doorgestoken van de Brabantse polders langs de Eendracht. Hierdoor kon in 1588 een aanslag door het leger van Parma worden afgeslagen die wadend door de Eendracht voet aan wal op het eiland Tholen wilden zetten.
Rond 1600 is de stad van een geheel nieuw stelsel van wallen met 7 bolwerken en vesten voorzien. De poorten, aanvankelijk in hout opgetrokken, werden later vervangen door stenen poorten. Na de Tachtigjarige oorlog verviel de eens zo geduchte linie, zowel door verwaarlozing, als door natuurrampen. Het kroonwerk Slikkenburg tegenover de stad was in de 18e eeuw in slechte staat. Het fort Nassau was toen al door de stormvloed van 1682 ten ondergegaan. In 1712 werd Tholen verrast door een Franse bende, die de stad plunderde en brandschatte.

Economie

Hoe belangrijk de betekenis van de stad bij de grens van Brabant ook was, als bestaansmiddel kan deze niet worden aangemerkt. De landbouw was de grondslag van haar economisch bestel. Twee zaterdagen in het jaar werd er een korenmarkt gehouden. In 1618 werd een vette en in 1731 een magere beestenmarkt ingesteld. De ReimerswaIers die zich na de ontruiming van hun stad in 1631 te Tholen vestigden, leefden van de mosselvangst en weervisserij op de verdronken landen. In de tweede helft van de 19de eeuw gaf de oestercultuur extra welvaart. Van de Nederlandse mosselen kwam 1/6 deel uit Tholen. De haven lag toen vol met hoogaarzen. De strenge winter van 1962-1963, de aanleg van het Schelde-Rijnkanaal en de Deltawerken waren de oorzaak dat de visserij voor Tholen nagenoeg verloren ging.

stadhuis150
stadhuis Tholen

Bestuur

Evenals elders heeft ook hier de stadsregering in de loop der eeuwen een wisselend beeld vertoond. In de 16de eeuw en nadien werd zij gevoerd door twee burgemeesters en acht schepenen; bij laatstgenoemden berustte onder voorzitterschap van een der burgemeesters de rechtspraak. Deze schepenbank sprak in 1750 het laatste doodvonnis uit, dat voor het stadhuis met het zwaard werd voltrokken. De schepenen vormden met de andere burgemeester de stedelijke regering. De magistraat werd jaarlijks vernieuwd. Hoewel er sinds 1452 zo nu en dan van raden, dat zijn de 'wijste en notabelste' personen, wordt gesproken, komen zij als vast college eerst sinds 1675 voor.
De conflicten tussen de Staats- en Prinsgezinden gingen ook aan Tholen niet zonder strijd voorbij. In 1672, 1702 en 1747 waren er tussen beide partijen moeilijkheden. In 1787 sloeg het garnizoen aan het muiten en plunderde de huizen van de Patriotten. In 1795 werd voor het eerst na de reformatie weer een heilige mis opgedragen. Na de opheffing van de Waalse kerk in 1818 namen de rooms katholieken deze kerk in gebruik. In 1851 werd een Christelijk Afgescheiden gemeente opgericht. Buiten twee Nederlandse Hervormde Gemeenten zijn er in Tholen ook nog de Gereformeerde Gemeente, de Gereformeerde Kerk, de Christelijk Gereformeerde Kerk en de Protestantenbond.

De poorten

Na het vertrek van de Fransen in 1813 werd de vesting Tholen in 1814 opgeheven. Direct begon men met de afbraak van de stadspoorten en andere gebouwen. In de tweede helft van de 19de eeuw zijn de wallen herschapen in wandelparken. In 1864 leverde de plaatselijke gasfabriek voor het eerst gas. Deze heeft tot na de Tweede Wereldoorlog gefunctioneerd.
De stad die in 1798 bijna 2000 inwoners telde, groeide daarna gestadig. Voor de Tweede Wereldoorlog was er een teruggang. Nadien is de bevolking weer gegroeid. Het grootste deel van de inwoners woont in de naoorlogse bestemmings-plannen Dalempolder, Buitenzorg en Molenhoek wonen. Recent is de bouw van woningen in Stadszicht en aan het Waterfront.
Rond 1960 begon men met het aantrekken van industrie. De bedrijventerreinen liggen aan de noordkant van het stadje.

De brug

Aan Tholens betrekkelijk isolement kwam een eind in 1928 toen de brug over de Eendracht voor het verkeer werd opengesteld. De brug is geheel door de gemeente Tholen (toen ca. 3100 inwoners) gefinancierd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is deze twee maal vernield, in 1940 door Nederlandse militairen en in 1944 door terugtrekkende Duitse troepen. Na de oorlog is deze door het Rijk hersteld en werd het bruggeld afgeschaft. In 1971 kwam de brug over de nieuwe Schelde-Rijnverbinding gereed. De oude brug over de nu doodlopende tak van de Eendracht is daarna afgevoerd. Sinds het gereedkomen in 1988 van de weg over de Oesterdam, met 12 km de langste Deltadam, is het stadje ook uit Zeeland makkelijk bereikbaar.

Tholen luchtfoto
Luchtfoto Tholen

Scherpenisse

Wapen en vlag

Scherpenisse was voor de gemeentelijke herindeling op het eiland Tholen van 1 juli 1971 een zelfstandige gemeente met een oppervlakte van ca. 1053 ha. Naast het dorp Scherpenisse zijn er nog de buurtschappen Gorishoek, Schoondorp en Westkerke. In het totaal wonen er ca 1800 inwoners.

Het wapen van Scherpenisse is afgebeeld op de wapenkaart in de Cronijk van Zeeland van M. Smallegange (1696) met een rode dwarsbalk op een schild van zilver. Het wapen werd in 1817 echter bevestigd met een blauwe balk. De wapenbeschrijving vermeldt niet dat het schild is gedekt met een gouden kroon met 15 parels. De vlag, bestaande uit 7 banen van blauw en wit met in de broektop het gemeentewapen, is vermoedelijk in 1938 in gebruik genomen.

Polder

De oudste polders in het Thoolse land zijn Scherpenisse, Poortvliet, Oudeland (Sint-Maartensdijk) en Schakerloo. Bij Westkerke ligt de zogenaamde Westkerkse berg.

Van de ongeveer 12 bergjes die er op Tholen waren, is alleen deze overgebleven. De ruim 7 m hoge berg is in drie fasen opgeworpen. De onderste laag, die tot 1 m N.A.P. reikt, zal hebben gediend als vluchtheuvel voor hoogwater op de nog onbedijkte schorren.

Nieuwe afbeelding 1
Luchtfoto Scherpenisse

De tweede verhoging houdt verband met een functie als kasteelberg. De in deze verhoging gevonden houtskoolresten zijn van ca. 1025. Op het bergje zal toen een eenvoudige houten versterking (motte) hebben gestaan zoals ook op het tapijt van Bayeux van 1066 is te zien. Op de derde verhoging zijn resten baksteen gevonden die afkomstig kunnen zijn van een stenen toren. Zowel de terp/kasteelberg als het voorterrein met het Hooge huys aan de kant van het dorp waren omgracht.

Op waterstaatkundig gebied heeft de Scherpenissepolder een bewogen geschiedenis. De zeewering aan de zuidkant lag tot 1623 ca. 500 m verder naar buiten. Door overstromingen, dijk- en oevervallen heeft men tussen 1623 en 1826 ca. 250 ha grond aan de zee moeten prijsgeven. Door tijdig inlaagdijken aan te leggen heeft men de schade kunnen beperken. De nol van Gorishoek is nog een restant van de oude zeewering. De polder is overstroomd in 1570, 1645, 1671 en 1715. Bij de inundatie van 1645 ging ook een redoute of wachttoren uit de Tachtigjarige oorlog verloren. De andere polders die het grondgebied van Scherpenisse vormen zijn in de Pluimpot bedijkt; de Zoutepolder ca. 1285, de Geertruidapolder in 1494, en de Houwerpolder in 1812.

In 1944 hebben de bezetters dit gebied evenals de rest van het eiland Tholen onder water gezet. Hoewel Scherpenisse bij de stormvloedramp van 1953 gespaard bleef, bleken de dijken langs de 3 km lange Pluimpot een zwakke schakel in de zeewering. Dit water, waardoor het dorp bereikbaar was voor schepen, is in 1957 bij Gorishoek afgedamd.

Dorp

In archiefstukken is in 1203 sprake van Baldewinus clericus (geestelijke) de Scarpenesse en in 1206 van het eiland Scarpenesse. Deze naam is afgeleid van het Germaanse scarpa (scherp of spits) en nasja (landtong, uitspringend in zee of rivier); dus een spits in zee uitstekend land. Misschien is scarpe echter de naam van een persoon die dit land in bezit had.

In het begin van de 13de eeuw zal er dus al een gemeenschap zijn geweest die een geestelijke kon onder­houden. Uit de plaatsnaam Scarpenissedam, genoemd in 1285, is af te leiden dat het dorp is ontstaan bij een dam in een inbraakgeul van de Pluimpot. De bedding van deze kreek is nog tussen de Platteweg en Molenweg in het landschap te volgen. Deze dam ligt waarschijnlijk in het verlengde van de Langeweg. Later is de plaats in de richting van het water gegroeid. Ook de Hoge Markt en in het verlengde daarvan de Weststraat zijn zeewering geweest. De verhoging van het terrein ervoor is waarschijnlijk gebeurd met zelkas, een restant van de winning van zout dat ontstaat door het verbranden van zouthoudend veen. Dit werd zowel binnen- als buitendijks gewonnen waarna het in zoutketen werd verwerkt. Zout was een belangrijk conserve­ringsmiddel. In de 15de eeuw is het selzout verdrongen door het Franse en Portugese baaizout.

Evenals in de andere plaatsen op het eiland Tholen stond er ook in Scherpenisse een meestoof waar men tot kort na de uitvinding van de chemische verfstoffen rond 1870 de wortel van de meekrapplant verwerkte tot een poeder voor de fabricage van rode verf waarmee o.a. wollen stoffen werden gekleurd.

Scherpenisse is evenals Sint-Maartensdijk via de Van Borsseles en het huis Egmond aan de Oranjes gekomen. Nog steeds is de Koningin vrouwe van Scherpenisse. De rentmeester, die op het slot te Sint-Maartensdijk woonde, was ook baljuw van Scherpenisse. Er waren 9 schepenen die ook belast waren met de rechtspraak. Na de Franse tijd kwam er een gemeentebestuur zoals wij dat in grote lijnen nu nog kennen. Westkerke was een aparte heerlijkheid met andere heren en een apart bestuur. Met ingang van 1816 is deze gemeente bij Scherpenisse gevoegd. Kerkelijk ressorteerde het na het afbranden van de kerk in de Tachtigjarige oorlog al onder Scherpenisse.

Het veer tussen Gorishoek en Yersekendam op Zuid-Beveland is in 1746 ontstaan in verband met het overzetten van post. Door de aanleg van de spoorverbinding Bergen op Zoom - Goes verviel het postvervoer in 1869. Het overzetten van passagiers is in 1962 gestaakt. Sinds enige jaren wordt echter in het zomerseizoen weer overgezet.

Hoewel de 17de eeuw bekend staat als de Gouden eeuw, was dit niet het geval voor Scherpenisse. De bouw en het onderhoud van het in 1594 gebouwde rechthuis - het latere gemeentehuis - de calamiteiten aan de kade en spuikom en de overstromingen van 1645 en 1671 brachten de plaats aan de rand van een bankroet. Het rechthuis werd zelfs verkocht. Met hulp van Amelie van Oranje, indertijd vrouwe van Scherpenisse, is toen orde op zaken gesteld. In verband met de slechte toestand van het gebouw en de zeer beperkte financiële middelen is het in 1847 verkleind door een verdieping af te breken. Het gebouw is in 1982 gerestaureerd.

Kerk

Het belangrijkste monument is de Ned. Herv. Kerk dat in de 15e en 16de eeuw in Brabants gotische stijl is gebouwd. De kerk was aan de heilige maagd Maria gewijd. In de zestiger jaren van de 16de eeuw was hier Johannes Versteeg pastoor die tot de Reformatie overging. Bij de komst van Alva (1567) is hij gevlucht. Ook uit sententiën (rechtelijke uitspraken) van deze hertog blijkt dat er toen te Scherpenisse een groep reformatorisch gezinden was. De Reformatie op het eiland Tholen voltrok zich in 1578. De eerste predikant voor Scherpenisse en Sint-Maartensdijk was Johannes Florianus. Hij kwam in 1578 doch vertrok al het jaar daarop. Na de val van Brussel in 1583 is deze predikant gevat en te Beveren in het water gesmoord.

Vroeger was deze kerk veel groter. Nadat kalk en gruis uit het verwelfsel op de preekstoel was gevallen, zijn het koor en het dwarspand in 1753 afgebroken. Alleen het schip en de zware toren zijn bewaard gebleven.

In het jaar van de bouw van het rechthuis in 1594 is het Kloveniersgilde opgericht, dit ter bescherming van de ingezetenen die een Spaanse inval vreesden. De 56 schutters waren bewapend met musket en roer. Van wapenvertoon is al lang geen sprake meer. Wel komen de leden nog jaarlijks in de Pinksterweek bijeen in de Gildenkamer in het voormalige gemeentehuis op de Hoge Markt. Sinds enige jaren kent deze vereniging een afdeling boogschutters.

Scherpenisse
Scherpenisse

Poortvliet

Poortvliet was voor de gemeentelijke herindeling op het eiland Tholen van 1 juli 1971 een zelfstandige gemeente met een oppervlakte van ca. 3136 ha. Op dit grondgebied wonen ca. 1700 inwoners. Naast het dorp Poortvliet zijn er de buurtschappen, Kruytenburgh, Strijenham, Oud-Kerkhof, de Rand en Malland.
Poort is afgeleid van het Latijnse portus hetgeen haven betekent. In het middeleeuwse Latijn kreeg het ook de betekenis van stad. Er zijn echter geen stadsrechten van Poortvliet bekend. Gezien het ontstaan van de plaats aan een inbraakgeul van de Pluimpot kan de naam van de plaats worden verklaard als haven aan een vliet.
Het wapen is op de wapenkaart in de Cronijk van M. Smallegange (1696) afgebeeld. De 4 rode en zwarte leeuwen zijn afkomstig van de graven van Holland uit het Henegouwse huis. Verder bevat het schild, dat gedekt is met een gouden kroon, een rivier of vliet. Dit wapen is in 1950 bevestigd. De vlag, bestaande uit 7 banen blauw en wit met in de bovenhoek het wapen, is in 1954 vastgesteld.

Polder

De polder Poortvliet en Malland is de grootste polder en ook één van de oudste bedijkingen van het eiland Tholen. Wat oppervlakte betreft -1747 ha- is het de zevende polder van Zeeland. Het gebied is echter ontstaan uit afzonderlijke bedijkingen die sinds eeuwen zijn verenigd tot één dijkage. Het noordwestelijk deel, dat reeds in de 13de eeuw bestond, heet Malland. In de omgeving van het dorp ligt een andere oude bedijking die is omgeven door de Engelaarsdijk, Paasdijk en Stompersdijk. De ca. 22 km lange waterkering van Poortvliet en Malland is voor het grootste deel van haar waterkerende functie ontheven door het inpolderen tussen 1285 en ongeveer 1511 van de Klaas van Steelandpolder, Nieuw- Strijen, Priestermeet, Bartelmeet, Baardijk en Smaalzij. Door de eerste afdamming van de Pluimpot in 1556 werd Poortvliet in het westen beveiligd. Wel ontstond hierdoor wateroverlast doordat het maaiveld van de jongere gebieden hoger ligt, terwijl het oude lage gebied in de loop der eeuwen lager werd door het darinkdelven (winning van veen) en de inklinking van het veen dat op een plaats in de Weihoek zelfs 385 cm dik is.

Poortvliet
Luchtfoto Poortvliet

Dorp

Poortvliet wordt in archiefstukken voor het eerst genoemd in 1200. In 1203 is sprake van Lambertus, castellanus (kasteelheer) de Portvliete. Dit voormalige slot lag westelijk van de kerk bij de in 1853/1854 afgegraven vliedberg ter hoogte van de huidige Prins Bernhardstraat. Het eerste deel van de plaatsnaam, poort of port, kan duiden op een ommuurde plaats, doch wordt ook wel in verband gebracht met (vlucht)haven. Vliet duidt op stromend water. Hoewel het dorp nu ver van het water ligt, is het ontstaan in een inbraakgeul van de Pluimpot. De Deestraat volgt de noordelijke oever, de Stoofstraat de zuidelijke oever van deze geul. Wellicht is de buurtschap Oud-Kerkhof aan de grens met Tholen echter de oudste woonkern en het dorp Poortvliet zelf eerst ontstaan na de afdamming van de geul hetgeen in de 11de of 12de eeuw zal hebben plaatsgevonden.
Poortvliet was grafelijk gebied. In 1462 beloofde Philips van Bourgondië als graaf van Holland en Zeeland dit gebied nimmer van de grafelijkheid te vervreemden. Na verschillende pogingen, waartegen met succes verzet is gevoerd, is dit in 1706 toch gebeurd. De heerlijkheid werd verkocht.
Het dorpsbestuur bestond uit een schout en 7 schepenen. Na de Franse tijd komt er een gemeentebestuur zoals we dat nu in grote lijnen nog kennen. Het in de mond van de Striene bedijkte Nieuw-Strijen was een aparte heerlijkheid met een eigen bestuur. Met ingang van 1816 is de toen zelfstandige gemeente bij Poortvliet gevoegd. De buurtschap in deze voormalige gemeente heet Strijenham. In 1562 stond Filips II de inwoners toe de sluiskil als haven te gebruiken. Nog na 1920 voer vanuit dit haventje een beurtschipper. Ondanks de dijkverzwaring en het opheffen van vele Zeeuwse getijdenhaventjes ligt er nog steeds een havendam -een oude nol- waarachter enige kleine bootjes een veilige ligplaats hebben. Het poldertje is in 1894 na dijkdoorbraak overstroomd.

Kerk

In het dorp staat de Hervormde Kerk in een ring die voor een deel aan weerszijden is bebouwd. Aan deze ring stond ook het rechthuis dat tot 1863 als gemeentehuis in gebruik is geweest. Het latere gemeentehuis, nu het dorpshuis 't Ouwe Raed'uus, staat aan de Langestraat. Aan deze verbinding tussen de kerkring en Paasdijk stonden rond 1900 de meeste woningen.
Het belangrijkste monument is de Hervormde kerk die voor de Reformatie op het eiland Tholen (1578) aan Sint-Pancratius was gewijd. De toren zal rond 1350 zijn gebouwd, het schip ongeveer 100 jaar later. Na brand in 1584 of 1585 vond herbouw plaats. Het koor en een deel van de zuidelijke dwarsarm zijn reeds lang verdwenen waardoor deze gotische kerk een verminkte indruk maakt. Het orgel is in 1806 aan de kerk geschonken op conditie dat de familie van de schenker het recht had het terug te eisen wanneer het zes weken achtereen niet werd bespeeld. De kerk en toren zijn tussen 1971 en 1975 gerestaureerd. De stenen stellingmolen de Korenaar is in 1710 gebouwd. Het was de eerste stenen windmolen op het eiland. Molen de Graanhalm werd in 1851 gebouwd. Deze brandde af in 1957 nadat tijdens storm de vang onklaar was geraakt. Van deze molen resteert nog alleen een deel van de romp.

Poortvliet is evenals de rest van het eiland Tholen in 1944 op last van de bezetter onder water gezet. De bevolking werd geëvacueerd. Het dorp werd in 1945 getroffen door een voor Antwerpen bestemde V-1 die 4 slachtoffers maakte en enorme schade aanrichtte.
Na de Watersnoodramp van 1953, waarbij een groot deel van de gemeente onder water kwam te staan, vond de herverkaveling plaats. De bochtige wegen, waar men bij mistig weer verdwaalde, werden rechtgetrokken, de afwatering verbeterd. Voor de Weihoek betekende het dat de gemiddelde kavelgrootte van 1,2 ha op 5,1 ha werd gebracht en dat veel grasland werd omgezet in bouwland.
Door de herverkaveling is ook het dorp sterk veranderd door verplaatsing van bedrijven naar de omgeving. Nadien bleek dat het niet mogelijk was landbouwschuren in het dorp te handhaven. Zo is in 1986 het dak van een monumentale landbouwschuur aan de Noordstraat door storm weggewaaid. De wind maakte ook een einde aan de beeldbepalende schuur van een in 1784 gebouwde hofstede aan de Zuidstraat waarvan nog alleen wat muren en wanden overeind staan. Het kunstwerk 'Boer met ploegpaarden' van Aart Schonk in de ring van de kerk geplaatst in 1992 houdt de herinnering aan het agrarische karakter van de plaats echter levend.

Bedrijvigheid

De Tegenwoordige Staat van 1753 meldt dat de inwoners zich van ouds bezig houden met de landbouw, koophandel van granen, zaden, vlas enz. Dit zal alleen betrekking hebben gehad op het zuidelijk deel. Aan de noordkant van het dorp ligt de Weihoek waar vroeger veel wateroverlast was. Hier wordt nog steeds veel rundvee gehouden. Tegenwoordig zijn er ook enige grote varkensmesterijen.
Zoals elders op Tholen werd op de Poortvlietse akkers ook meekrap verbouwd. Deze wortels van deze plant werd in meestoven verwerkt tot een poeder voor de fabricage van rode verf waar o.a. wol mee werd gekleurd. Aan deze bedrijfstak -in Poortvliet werd in 1852 een tweede meestoof opgericht- kwam kort na 1870 een einde door de uitvinding van chemische verfstoffen. Tegenwoordig is er ook fruitteelt. Op het bedrijventerrein staan een carrosseriefabriek, garagebedrijven en een groot internationaal verpakkingsbedrijf. Ook is er een meubelboulevard.

Oud-Vossemeer

Wapen en vlag

Oud-Vossemeer was voor de gemeentelijke herindeling op het eiland Tholen van 1 juli 1971 een zelfstandige gemeente met een oppervlakte van ca. 1364 ha. Op dit grondgebied wonen ca 2700 inwoners.
Het wapen, dat op de wapenkaart in de Cronijk van Zeeland van M. Smallegange (1696) is afgebeeld, heeft een schild van goud beladen met een vos van keel (rood) zwemmende op een zee van lazuur (blauw) en zilver. Er is echter een ouder wapen bekend. Volgens de beschrijving van 1515 heeft de vos op een groen veld een mare in de mond. Men is het er echter niet over eens of hier een maretak of een worst wordt bedoeld. De bovenste helft van het schild draagt zes vierkanten kennelijk doelend op de 6 oudste deelgenoten die in 1410 dit gebied kochten.De vlag bestaande uit 4 horizontale banen van geel, rood, blauw en wit met in de broektop het gemeentewapen, is in 1938 in gebruik genomen.

Oud-Vossemeer dorp

Kopergravure tweede helft 18e eeuw

Inpoldering

Ten noorden van het stadje Tholen lag in de middeleeuwen een uitgebreid gebied van geulen, slikken en schorren dat graaf Willem VI in 1410 aan 6 van zijn raadslieden verkocht. Dit gebied 'benoorden der Tholen binnen de mercken van de Noortketen die staen op ten dijck van Dalempolder, overcomende aen Hasershille, van daenen in de Kercke Kamere, streckenende lijnrecht door Vosvliet aen 't nyeuwenlandt van den Brouck' werd kort na de uitgifte, vermoedelijk al in 1411 bedijkt, waardoor de Oud-Vossemeersepolder ontstond. Door de bekende Elisabethsvloed van 1421 verdween de polder onder water doch werd spoedig hierna herdijkt.

Omstreeks 1450 vond de inpoldering plaats van de Kerkepolder. Hierin ontstond het dorp. Eveneens in de 15de eeuw vond de bedijking plaats van de Hikkepolder die na een overstroming in 1530 in 1561 werd herdijkt. Ook in 1682 brak de dijk van deze polder door. Bij het huidige gemaal aan het Schelde-Rijnkanaal (Eendracht) ligt de ringdijk waarmee de doorbraak werd gesloten. Langs de Eendracht zijn in de 15de en 16de eeuw nog enige kleine polders ontstaan zoals de Slabbekoornpolder bij het stadje Tholen, die de laatste jaren geheel in gebruik is genomen als industrieterrein.
Aan de noordkant van Vossemeer ontstond tussen de Vosvliet en de Pluimpot een aparte heerlijkheid met de naam Vrijberghe. In 1511 is in archiefstukken sprake van de 'bereden' of in cultuur gebrachte polder die later is overstroomd. Rond 1650 zijn deze gronden opnieuw bedijkt en ontstond de Oost-Vrijberghepolder. Ook in de 19de eeuw werd het grondgebied van de gemeente Oud-Vossemeer en Vrijberghe in de Mosselkreek uitgebreid. Zo ontstonden de Hollarepolder (1843), de Van Haaftepolder (1852) en de Sluispolder (1877). In de loop der eeuwen zijn meerdere polders overstroomd onder meer in 1682, 1715, 1808 en 1906. In 1944 is geheel Oud-Vossemeer evenals de rest het eiland Tholen door de bezetters onder water gezet. In 1953 beleefde  Oud-Vossemeer hachelijke momenten doch bleef gespaard voor het watergeweld.
De Nieuw-Vossemeersepolders, die aan de oostzijde van de Eendracht zijn ingedijkt, waren aanvankelijk Zeeuws en behoorden tot de heerlijkheid Vossemeer. Sinds 1809 is dit Brabants grondgebied.

Naamgeving

De naam Vossemeer is afgeleid van een brede kreek in dit gebied die de Vosvliet werd genoemd. Delen van deze kreek zijn nog in de Hikkepolder te zien onder aan de oprit naar de brug over het Schelde-Rijnkanaal. Oostelijk hiervan lag een water, de Mare genaamd. Dit woord is als tweede bestanddeel in de vorm van meer in de naam van de heerlijkheid terechtgekomen. Toen in de tweede helft van de 16de eeuw aan de overzijde van de Eendracht door de heren een nieuw dorp werd gesticht - de polder waarin het nieuwe dorp lag is in 1583 onder water gezet en in 1609 herdijkt - ontstonden de namen

Oud- en Nieuw-Vossemeer

Vossemeer was een ambachtsheerlijkheid, d.w.z. een gebied met rechtsmacht. Graaf Willem VI gaf deze rechtsmacht in 1410 aan 6 heren. Tegenover bepaalde lasten, zoals de zorg voor het bestuur en het opbrengen van belastingen voor de graaf, genoten zij rechten. De bekendste heerlijke rechten zijn het veerrecht, visrecht, vogelarij, jacht, plantrecht en tienden. Particulieren mochten tegen een geldelijke vergoeding (pacht) gebruik maken van deze rechten.
Het bestuur van de heerlijkheid werd gevormd door een baljuw en 9 schepenen die door de heren werden benoemd. Naast het administratieve bestuur waren de schepenen belast met de rechtspraak. Doordat Vossemeer een hoge heerlijkheid was konden zij zelfs doodvonnissen vellen. Door de Franse revolutie verloor de heerlijkheid haar publiekrechtelijk karakter. De beide gebieden aan weerszijden van de Eendracht met de dorpen Oud- en Nieuw-Vossemeer werden aparte gemeenten (1809). De heerlijkheid met de nog resterende eigendommen, waaronder het in 1767 opgetrokken ambachtsherenhuis -dat tot in 1953 in gebruik bleef als gemeentehuis- bleef bestaan. In 1935 is dit lichaam omgezet in 'De ambachtsheerlijkheid Oud- en Nieuw-Vossemeer en Vrijberghe N.V.', gevestigd in Oud-Vossemeer. Nog jaarlijks komen de ambachtsheren/aandeelhouders op de eerste dinsdag in juni in het fraai gerestaureerde ambachtsherenhuis bijeen.

Het dorp

Zoals gezegd is het dorp in de Kerkepolder ontstaan. Het is een ringdorp waar de huizen rond de kerk staan. De vroeger met een gracht omgeven kerk is in de tweede helft van de 15de eeuw gebouwd. Deze was aan Johannes de Doper gewijd. Tijdens de eerste jaren van de Tachtigjarige oorlog is het dorp door de Staatse troepen platgebrand (1576). Ook de kerk werd zwaar beschadigd. Twee jaar later kreeg de Reformatie op het eiland Tholen haar volle beslag en trokken de priesters weg. Oud-Vossemeer kreeg in 1583 zijn eerste predikant. De herbouw van de kerk vond plaats in 1595. Tegenwoordig zijn er 5 kerkgenootschappen. Ongeveer 30 % van de bevolking is rooms katholiek.
Het dorp dat midden in de polder ligt is in de loop der eeuwen langzaam gegroeid in de richting van het Nieuwe Veer dat in 1567 voor het eerst werd verpacht. Zo ontstonden de buurtschappen Kalisbuurt en 't Veer. Bij het pontveer lag ook een klein getijhaventje dat in het kader van de aanleg van de Schelde-Rijnvebinding is opgeruimd. Het pontveer is toen vervangen door een brug (1974). Het veer bij de buurtschap Botshoofd, indertijd het belangrijkste veer voor het eiland Tholen, was al in 1886 uit de vaart genomen. De lintbebouwing langs de andere uitvalswegen ontstond in de 19de eeuw.

Het dorp had een agrarisch karakter. Tot aan het einde van de 19de eeuw was, zoals elders op Tholen, de verbouw en verwerking van Rubia tinctorum belangrijk. De wortels van de meekrapplant werden in meestoven verwerkt tot een poeder voor de fabricage van rode verf waarmee o.a. wollen stoffen werden gekleurd. De uitvinding van de chemische verfstoffen maakte in enkele decennia een einde aan deze bedrijfstak. De laatste van de 4 meestoven in deze gemeente werd in 1904 gesloopt. Oud-Vossemeer is de enige plaats op het eiland Tholen waar nog kermis wordt gehouden. Deze vindt plaats op vrijdag en zaterdag na de tweede donderdag in juni.

Roosevelt

Oud-Vossemeer geniet bekendheid doordat mogelijk het voorgeslacht van de Amerikaanse president F.D. Roosevelt uit deze plaats afkomstig is. Diens voorvader, Claes Martensen Roosevelt, zette rond 1650 in het huidige New York voet aan land. De weduwe van de president, Eleanora Roosevelt, bracht in 1950 een bezoek aan Oud-Vossemeer waar mogelijk ook haar 'roots' liggen. Tegenwoordig wordt in het kader van de uitreiking van The Franklin D. Roosevelt Four Freedoms Awards in Middelburg tijd gereserveerd voor een bezoek aan Oud-Vossemeer. Deze internationale onderscheiding wordt toegekend aan degenen die zich verdienstelijk hebben gemaakt op het gebied van de vrede en gerechtigheid. De vier door Roosevelt geformuleerde vrijheden hebben gestalte gekregen in een kunstwerk van Nico van den Boezem dat bij de Hervormde kerk is geplaatst. 

Luchtfoto Oud-Vossemeer